Hst6 Chemische binding en roostertypen.
in dit hoofdstuk wordt de chemische binding behandeld. Nu gaat het om de vraag hoe verbindingen eruit zien
er zijn 3 verschillende bindingen:
- ionbinding
- metaalbinding
- atoombinding
je hebt 2 verschillende atoombindingen:
een covalente binding en een polaircovalente binding
maar eerst beginnen we met de ionbinding
een ionbinding is een binding tussen positieve en negatieve ionen.
ionen zijn atomen die een bepaalde hoeveelheid protonen en neutronen bevatten waardoor hun lading bepaald wordt.
de ionbindingen komen vooral voor bij een verbinding van metalen met niet-metalen.
dit wordt ook wel een zout genoemd.
metalen zijn positief en niet-metalen altijd negatief(op natuurlijk een paar uitzondering na)
de elektrovalenties is om te zien wat voor lading een stof heeft, dat kun je terugvinden in het periodiek systeem van de elementen.

je hebt in het periodiek systeem heb je 8 hoofdgroepen:
groep 1,2,13,14,15,16,17,18
hoofdgroep 1(groep1) hebben allemaal 1+
hoofdgroep 2(groep2) hebben allemaal 2+
hoofdgroep 5(groep 15) is weer -3
en hoofdgroep 6 (groep 16) is -2
hoofdgroep 8 de edelgassen hebben geen positieve of negatieve lading aangezien ze al hun schillen vol hebben zitten, daardoor kunnen ze niet binden met andere stoffen.
Zouten
zouten zijn verbindingen van metalen en niet-metalen
de naamgeving is ook anders daardoor.
je begint met het metaal bv koper
en daarna een niet-metaal bv zuurstof
koper(Cu) heeft 2+
zuurstof(O) heeft 2-
dus krijg je CuO en dat spreek je uit als Koperoxide
alle zouten eindigen met naamgeving altijd op ide.
voorbeeld:
natriumchloride
kaliumjodide
natriumbromide
de uitzonderingen zijn:
-zuurstof(Oxide)
-waterstof(hybride)
-Koolstof(Carbon)
Vragen:
1: Geef de definitie van een ionbinding
2: Geef de definitie van een zout